Aart van der Leeuw Genootschap

informatie over de prozaschrijver en dichter Aart van der Leeuw
(1876-1931)
home biografie bibliografie tijdlijn secundair nieuws contact


H.C. MULLER.

De mythe van een jeugd, door Aart van der Leeuw. - (Bussum, C.A.J. van Dishoeck, 1921).

‘Waar mag ik hem beter vaarwel zeggen dan bij een drempel, waarop hij, als een reiziger een bescheiden bundeltje dragend, hoopvol naar komende gezichten, toch eens nog het hoofd keert naar den weg, dien hij in zon en nevel wandelde en die groenend en kronkelend zich uitstrekt van af een rieten stoeltje tot aan een poort, waarboven de beelden van Xenophon en Virgilius staan uitgehouwen in den grijzen steen’.

Aan den ingang van het gymnasium eindigt het ‘kinderland’, en de jeugd vindt in deze school de nieuwe bronnen van verbeelding, waarop het rijpend levensgevoel wordt gedragen. Onze held heet nu Rijkert, hij is reeds in de hoogere klassen, zijn huiselijke omgeving is een andere dan die in ‘Kinderland’, maar van een hooger plan bezien is Rijkert dezelfde jongen, die ‘op een lindegeurigen Julimorgen de stoeptreden opsteeg van het hoog gymnasiumgebouw’. Uit zijn kinderland heeft hij bewaard zijn ontvankelijkheid voor den droom en zijn levendige fantasie, die het tijdelijk gebeuren omtoovert tot voorvallen in een buitenpersoonlijke eeuwige mythe, nu ontleend aan de klassieke oudheid, in welke wereld hij onafgebroken met gedachte en zinnen verwijlt. Zijn leeftijd brengt hem het ontwakend liefdegevoel, dat hem doet kennen de verrukkingen van de verwachting, maar ook het verterend smachten van het erotisch verlangen. De geschiedenis van zijn puberteit, en meer niet, is de inhoud van dit boek. Te week opgevoed als eenig kind, vaderloos, schenkt Rijkert te veel aandacht aan het ontluikend liefdegevoel, verdiept hij zich in de oude verhalen van Daphnis en Chlo en wenscht zich in hun wereld. Een natuurlijk gevoel van maagdelijkheid behoedt hem voor een avontuur met een volksmeisje, dat zijn aesthetisch gevoel schokt. Maar later, met Felicia, een vrouw van weelde en verfijning, in Zwitserland toevend in de romantische villa, gaat hij verloren en leert, schoolknaap nog, der zinnen diepste genot. Doch hij weet zich te bevrijden en keert in wanhoop terug naar het moederlijk huis. Hier groeit zijn liefdegevoel in meer geestelijke richting, en Anna, zijn schoolvriendin, wordt het voorwerp zijner bezonnen, en tot offeren bereide liefde, en haar geeft hij zijn hart zuiver en open na de volledige bekentenis. Voor den opzet van deze ‘mythe’ behoeft men niet in bewondering te komen: de held is, hoezeer ook rijk aan verbeelding, te weinig kind, te veel rijp mensch, al te zeer overspannen en niet tot het daagsche genoegen bereid. Het boek is niet een psychologische roman, maar een mythe, waarvan de hoofdfiguur aan een ideaal moet beantwoorden. Rijkert's wezen kan niet de ideale vertegenwoordiger zijn van den gymnasiast, wiens liefde ontwaakt.

Met dit al blijft dit boek zijn waarde hebben, al was het alleen reeds om van der Leeuw's onvolprezen proza. Dit is rijk aan fantasie, levendig van beelding, daarbij innig fijn van rythme, volgend den cadans van de droomen, verlangens, vreezen. Het ‘St. Jansvuur’ heeft de niet-aflatende bezieling, die den lezer aan n stuk geboeid houdt en hem tot verrukking brengt. Hoe schitterend ingehouden en fijn is de beschrijving van Rijkert's val met Felicia. En wat later in Rijkert's gemoed omging: ‘En een geur streek over zijn herinnering van verre weiden: hij kreeg een onuitsprekelijk heimwee naar zijn kinderland’. ...‘de volgende dagen, als hij stil zat te droomen, merkte hij, dat naast het purperen bloemenrijk, waardoor hij heenreed aan Felicia's zijde, een tweede wereld in zijn ziel was opgegaan, een heerlijk duin- en zeegebied, vanwaar somtijds de vloed van het heimwee over het brandende bergland spoelde, het met een eindeloos vergezicht bedekkend van vernevelend weidegroen.’ ...‘dan was het nu een gestalte, waarin de teederheid hem naderde, een simpel schoolkind met het blonde haar eenvoudig opgenomen, met een kettinkje koralen rond den hals gewonden en de mouwen van de bloese nauw gesloten om den pols. Ach, alles zoo pril en jonkvrouwelijk, met zooveel van een zustertje en zooveel van een heilige in de lichte gratie van haar gansch bereid zijn, in haar argeloozen oogopslag’. En na een zwaren strijd, met zelfoverwinning eindigend, welk een zwevende verrukking, herinnerend aan die van Brahms' sublieme Feldeinsamkeit: ‘Uren schreide hij, totdat hij in een mist van tranen aan zich zelf ontsteeg. Hij werd als een wolkje in de ruimte, dat heendrijft op een hoogen wind’. Maar vr dat het geluk weerkeert, moet hij nog de leegte van de ongetrooste wanhoop kennen, culmineerend op dien eenen avond in een vertwijfeling, die door geen lichtstraal van vertrouwen wordt gebroken: ‘Toen dacht hij aan den engel, die hem in zijn zwaarste uur getroost had, en hoe hij eens was ingesluimerd in zijn zachte, witte vederen. En hij vroeg, of hij zou komen, en hij boog zijn hoofd al zijwaarts in dat kindergebaar van uit te willen rusten aan de moederborst. Maar er zijn oogenblikken tusschen geboorte en dood, die zonder bijstand, in verdorring moeten doorleden worden. En zijn genius bleef verre, en hij zat daar alleen voor zijn venster, met geen enkel antwoord, met geen enkel teeken, koud van hart en met een slot gesloten, zooals een bloemknop in het vroege voorjaar op zijn stengel staat’.

Dan veel later Anna's liefde, Rijkert's bekentenis, en, ten slotte, die heerlijke uitbeelding van Rijkert's nu gezuiverd gevoel: ‘“Wat een dag”, mijmerde Rijkert, en het was hem te moede, of die slechts om zijnentwille over de wereld was opgegaan, om zijnentwille met zijn wonderbaren sneeuwval, met zijn bijna onoplosbare raadsels en zijn schoone zuiverheid. Hij meende, dat nog nooit een mensch zoo'n dag beleefd had, van zooveel ernst en van zooveel verlichting, zoo gansch een begin, zoo volkomen een einde’...

De herschepping van het innerlijk levensgevoel in de atmosfeer van een uitwendige wereld, dit is van der Leeuw's mysticisme.

Bron: Den Gulden Winckel. Jaargang 21. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1922