Aart van der Leeuw Genootschap

informatie over de prozaschrijver en dichter Aart van der Leeuw
(1876-1931)
home biografie bibliografie tijdlijn secundair nieuws contact


H.C. MULLER.: De mythe van een jeugd, door Aart van der Leeuw. - (Bussum, C.A.J. van Dishoeck, 1921).

Den Gulden Winckel. Jaargang 21. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1922

 


Interview met Aart van der Leeuw door G.H. Pannekoek Jr. (pseudoniem: G.H. 's-Gravesande) uit 1925

(bron: dbnl: Den Gulden Winckel. Jaargang 24. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1925)

 


G.H.Pannekoek Jr.: Aart van der Leeuw 50 jaar, Het Vaderland, 23 juni 1926

kolom 1           kolom 2 

 


Maatschappij der Nederlansche Letterkunde, verslag vergadering,
toekenning Van der Hoogt prijs, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 13 juni 1928

 


Advertentie in Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 april 1929 voor Ik en mijn Speelman

 


H. Borel: Necrologie, Het Vaderland, zaterdag 18 april 1931 

 


Artikel over de begrafenis, Het Vaderland, dinsdag 21 april 1931

 


J. Hulsker: Aart van der Leeuws late bekendheid - Zijn persoonlijkheid en werk, Het Vaderland, 21 november 1942


J. Hulsker: 'Aart van der Leeuw en de muziek'
Mens en melodie, december 1946
1ste pag.    2e pag.

 


Een uitgebreide beschouwing van het werk van Aart van der Leeuw:

F.W. van Heerikhuizen, De strijd van Aart van der Leeuw, Amsterdam, 1951

 


K. (Knuvelder?): VERZAMELDE GEDICHTEN VAN AART VAN DER LEEUW - Strijd tussen werkelijkheid en verbeelding, Tijdschrift De Nieuwe Eeuw, Jaargang XXXII, No. 1651 (359), 5 Jan. 1956

deel 1       deel 2

 


Artikel 'De dichter van het licht' in Libelle van Marijke van Raephorst

 


'Sint-Veit, den Vedelaar'

Schilderij uit 1915 van Ferdinand Hart Nibbrig,

geïnspireerd door de vertelling van Aart van der Leeuw.

(bron: Studio 2000)

 

 

 

 

 

 


 

De dichter en zijn speelman

 

Sjoerd Olderman

 

Het snerpende gefluit van een Voorburgse straatjongen aan de andere kant van de Vliet, deed de dichter Aart van der Leeuw ontwaken uit zijn droomloze slaap. Na enige ogenblikken stil gelegen te hebben, sloeg hij langzaam de ogen op. Zijn doffe blik rustte een moment op zijn handen die wasbleek, benig en donder geaderd, roerloos boven het witte laken uitgestrekt lagen. Opnieuw klonk het gefluit van de overzijde. In de verlatenheid van de kamer was dit geluid uit het land der levenden welhaast een uiting van een primitieve levenslust.

 

De zieke hief met moeite het hoofd op en probeerde vanuit het raam iets van zijn vertrouwde omgeving te zien. Hij wist dat achter de tuin van de bloemist en voorbij gindse weiden de twee torens van de Oude en de Nieuwe Kerk van Delft omhoog staken. Honderden jaren stond de plompe scheve vijftoppige kerk op wacht en droomde van vervlogen goede tijden. Het voorjaar van het jaar 1931 had vrij plotseling milde lucht uit zuidelijke streken aangevoerd en de aarde ontsluimerde elke dag meer. Daarvoor was het onafgebroken koud en regenachtig, de harde Hollandse wind kon maar niet tot bedaren komen en joeg met onvermoeid geraas over het kille en mistige polderland. Het was tochtig en nat op het Voorburgse Westeinde, de bomen waren verkleumd en humeurig als oude jichtige mannen.

 

De dichter was in februari ziek geworden toen het weer zo akelig was. Rillerig en koortsig moest hij het bed houden. Er brak een periode van sukkelen aan, hij sloeg er aanvankelijk weinig acht op, maar na verloop van tijd werd de toestand van de zieke verontrustend en de bezorgd kijkende ontboden geneesheer constateerde dat hij leed aan longontsteking met ernstige complicatie. Zijn gezondheid was van kind af aan zwak geweest. Het ruwe jongensspel vermoeide hem te veel en hij ervaarde hun spel bovendien als vervelend. Hij werd al gauw een gemakkelijk mikpunt van spot voor zijn kwelzieke klasgenootjes die in hem een moederszoontje zagen. Hij zag weer hun verwrongen monden, hun rauwe kreten en die vreemde dreigende houding van wild gedierte... Allang hadden zijn vuisten rond moeten zwaaien en treffen, maar er was geen instinct dat hem dit leerde en bedenken kon hij het niet... Hij trok zich terug in een wereld waarin geen mensen van vlees en bloed leefden, maar schone wezens uit sprookjes en helden uit een roemrucht verleden. In die gelukzalige wereld voelde hij zich veilig. Ook nu op zijn sterfbed was dat niet anders. Hij wist dat de dood nabij was en hij wachtte zonder vrees.

 

Op het moment van zijn verscheiden zag hij zijn moeder dicht bij zich, nog jong met mooie liefdevolle ogen. Zij sloeg beschermend haar arm om hem heen. 'Wij zijn samen gelukkig en ik wil niet dat het anders wordt.' Zij streek met haar hand teder door zijn haar en de jongen vlijde zich dicht tegen haar aan. Hij voelde zich weer het kind dat in Delft woonde in een groot huis langs het spoor. Elk uur van de dag zat de kleine Aart voor het raam en staarde mijmerend de vertrekkende en voorbijrijdende treinen na en fantaseerde wonderbaarlijke bestemmingen: valleien die peilloos diep leken en lichtblauwe met sneeuw bedekte bergen, nog hoger dan de oude vijftoppige kerk! Hij merkte vanachter het raam dat de lucht doortrokken was van de zoete geur van exotische bloemen...

 

Zijn fantasie was onbegrensd en hij zag in zijn verbeelding meer dan andere kinderen. Zijn vader moest om zijn verhalen lachen en kneep hem in de wang met goedmoedige ruwe vrolijkheid. Voor de gevoeligheid van zijn zoon en van zijn vrouw had hij weinig oog. Liefst was hij op straat temidden van zijn kornuiten, kleine levensgenieters als hij. De fluitende straatjongen was verder langs de Vliet gelopen en gaf aan de levenden signalen, die langzaam verstomden in de verte. Met de onbekende jongen verdween ook het jeugdvisioen van de dichter.

 

Zijn vader keek verdrietig en maakte een handgebaar van verontschuldiging. 'Neem me niet kwalijk, Aart... Het komt door mijn lichtzinnigheid. Wij hebben niet veel geld meer. Mijn zaak is kapot! Ik smeek je, ga studeren, maak snel je studie af en probeer een goed betaalde baan te vinden. Het is je enige kans!'... Een gebouw in de provincie doemde op. Het was het kantoor van de levensverzekeringsmaatschappij. Hij zag zich weer in het kamertje met stenen vloer dat afgescheiden was van een gang. Stapels papier vulden het vertrekje. Gebogen zat hij achter zijn lessenaar en tuurde op cijfers en woorden waarvan hij de zin niet begreep. Een barse superieur deelde hem op een dag kortaf mede, dat hij moest studeren voor het accountantsexamen. Hij voelde zich gevangen en diep ongelukkig. De droom vervaagde: zijn verbeeldingskracht vol van geheimzinnigheid en mysterieuze harmonie moest wijken voor een dorre studie en benauwde vertrekken, bevolkt door mensen waar hij geen contact mee kon en wilde krijgen. Zo leefde hij in eenzaamheid en voelde dat er een mechanische maatschappij was die de mens bedreigt.

 

Zijn geesteskind uit zijn laatste roman 'De kleine Rudolf’ zat daar in een van de lokalen op een hoog opgedraaide kruk, door de anderen vanwege zijn bochel en armoedig voorkomen geminacht. Zijn aanwezigheid werd getolereerd, gelijk de vlieg die, omdat het niet anders was, een plaats had gevonden op de goor-gele muur of op de matglazen ruit. De klerken zaten ineengedoken als kouwelijke zwarte kraaien en krasten met hun pennen. Een knevelig telefoontoestel hield de wacht en stond dreigend tussen hen in op de met inkt bespatte tafel. De kopieerpers leek verdacht veel op een martelwerktuig. Het gerochel van de oude astmatische boek­houder verstoorde regelmatig de stilte. Zo zaten zij, dag in, dag uit...

Ik heb de kleine Rudolf carrière laten maken, dacht de dichter en een glimlach speelde om zijn mond, slechts één keer in zijn leven heeft Rudolf lef en doorzettingsvermogen getoond en geëist dat zijn werk gewaardeerd werd. Het is hem gelukt. Een eigen kamer en een dubbel salaris! Wanneer hij zich daarna als procuratiehouder 's morgens in de buurt van het kantoorgebouw in zijn dure maatpak liet zien, wipten de hoeden met geestdrift in de hoogte, waartegenover hij zijn Borsalino een vinger breed optilde... ik had als kleine Rudolf kunnen leven!...

Die lef van hem heb ik nooit willen opbrengen, zuchtte de dichter, de droom zou onherroepelijk verdwijnen. Ik wilde mij één voelen met de natuur en de betovering zien van het aardse paradijs. De maatschappij is een hersenschim, een bedenksel van eeuwen. Het heeft niets met de door God geschapen wereld te maken... Hij was vermoeid en sloot de ogen.

 

Het nageslacht zal mij en mijn werk vergeten, dacht hij met lichte weemoed. Mijn graf zal niemand bezoeken en de steen zal onleesbaar zijn. Ach, wat maak ik mij druk, het is goed zo. Ik heb iets van het mysterie gevoeld dat de mens heeft verloren in het leven van alledag. De dorpsdwaas kwam in zijn gedachten, hij had over hem geschreven in een van zijn kleine verhalen. Natuurlijk, ik was die dwaas! Onnozel mag hij dan lijken en in de ogen van de mensen niets uitvoeren, maar hij weet toch wat God over de leliën des veld heeft gesproken. Ik was die dromer,die nutteloze... 'Het is je plicht te werken,' roept men de dwaas toe. 'Ik heb niets geleerd'... 'Ga naar de stad toe en word voddenraper.' 'Wat moet ik daar vinden in die stad en vodden van jullie. Tranen, niets dan tranen... Ik wil liever omkomen van honger en dood, worden gevonden aan de bloeiende slootrand, met een laatste tuiltje speenkruid tussen de vingers, en aan mijn voeten het goudbruine water, waarin zich een wolk van de hemel en een sneeuwwitte bloesemboom spiegelen. Goddank heb ik kunnen vluchten uit die maatschappij van jullie...'

 

Een kleine erfenis had hem bevrijd van het troosteloze kantoorleven en hem onafhankelijk gemaakt, hij vestigde zich in het mooie rustige dorp Voorburg aan het Westeinde, niet ver van zijn geboortestad Delft. Het zou een verbintenis van 23 jaar worden. Daar vond hij rust en zijn gave bloeide op om te schrijven en te dichten. De stervende voelde een vaag verdriet. Nimmer zou hij zijn geliefde wandelingen maken. Dagelijks kon hij urenlang dwalen door de wijde omgeving van Voorburg, dwars over de akkers en langs vertrouwde boerderijen. Al wandelend ontstonden beelden in hem die hij 'Vluchtige begroetingen' noemde. Thuis gaf hij er in kleine verhalen vorm aan. Soms werd er een hand opgeheven bij wijze van groet als de landarbeiders de stille, lange, enigszins gebogen man ontwaarden: 'Kijk daar gaat hij weer,' zeiden ze. Zij vervolgden hun arbeid en vergaten hem.

 

 Hij voelde pijn als hij zag dat de grote naburige stad zich snel uitbreidde en er weer een  gedeelte van zijn geliefd landschap opgeofferd werd. Het gebeurde de laatste jaren meer dan eens dat hij op een rustige landweg opzij moest gaan voor een glimmende luid pruttelende automobiel met een achter het stuurwiel hoog gezeten onaangedaan voor zich uitstarende automobilist. De dichter zag dat zijn Arcadië bedreigd werd. Hij vond troost bij muziek en hij dacht aan zijn viool die nu stom in de kist lag. Het was een geschenk, dat hij, die slechthorend was en de woorden van de mensen met moeite kon volgen, de taal van de muziek verstond.

 

Op zomeravonden vertraagden de spaarzame voorbijgangers op het Westeinde hun pas om heimelijk naar de aarzelend uit het geopende raam ontsnappende vioolmuziek van Tartini, Vivaldi en vooral Mozart te luisteren. Meestal werd hij alleen gezien en de Voorburgers konden de in zichzelf gekeerde vriendelijke man niet goed plaatsen. Wie was hij? Een rentenier, één van de velen die zich genesteld had in het landelijke aantrekkelijke Voorburg? 'Nee, hij is advocaat,' wisten anderen. Slechts weinigen konden vertellen dat hij dichter was van fijnzinnige poëzie en schrijver van indringende korte prozastukken en kleine romans.

 

De deur van de kamer ging langzaam open en een vreemd uitziende kleine man betrad de kamer, hij liep behoedzaam op het bed van de stervende dichter toe. Daar aangekomen bleef hij in af­wachtende houding staan. Op het eerste oog leek het of hij gebukt ging onder een zware last op zijn rug. De waarheid was dat hij een bochel droeg die hoog optornde onder zijn jasje. Zijn kleren waren vuil en versleten door het lange zwerven langs de wegen. De gelaatstrekken van de gebochelde waren schrander en zachtmoedig. Opvallend was dat hij een oude gitaar slordig op zijn bult had vastgebonden. Het leek of hij uit een uit een oud schilderij was gestapt, een speelman die zijn karige kost bijeenscharrelde op jaarmarkten en bruiloften van het landvolk.

 

De dichter en de speelman keken elkaar aan en beiden glimlachten. 'Valentijn, hoe ben je hier gekomen?' vroeg de dichter nauwelijks verwonderd. 'Via Rijswijk, oude vriend... ach, wat doet het er toe waarvandaan, ver ben ik nooit geweest,' zei de speelman met een knipoog van verstandhouding. 'Weet je nog van die reis die we beleefd hebben? Jij noemde je Claude de Lingendres, je was een verwend edelman uit het Frankrijk van de 18de eeuw. Rijk was je en blasé van je genietingen in het leven. Je was gevlucht omdat je niet wilde trouwen met een dame die jij niet kende en voor jou uitgezocht was. Door een toeval ontmoetten wij elkaar en samen trokken wij van dorp tot dorp, ik speelde op de gitaar en jij op de klarinet.' 'Maar, Valentijn, dat was niet de werkelijkheid! Ik heb het in mijn boek verzonnen. Ik schreef een roman: "Ik en mijn speelman"!'... 'De werkelijkheid!' riep de speelman geërgerd uit. 'Wat is nou de werkelijkheid? Een zeepbel die uiteenspat eer hij van de grond is gekomen! Ik heb jou een andere werkelijkheid laten zien, Claude de Lingendres of Aart de Leeuw, het maakt niet uit hoe je heet. Ik moet je eraan herinneren dat je mij heel bewust in je roman in leven hebt geroepen, als een deel van jezelf, een symbool van je diepste verlangen. Je gaf mij een onaanzienlijk voorkomen, een bultenaar uit de laagste maatschappelijke klasse, maar wijs en onafhankelijk in het leven. Je wilde breken met het misschien wel rijke maar in geestelijk opzicht oppervlakkige milieu van je. Ik hielp je daarbij. Als Claude de Lingendres verloor je al je uiterlijke kentekens, je prachtige kleren, je sieraden, je aanzien, bijna een vagebond werd je. Maar daartegenover vond je geluk, ik leerde je kijken naar het leven met andere ogen, niet met de ogen die slechts zien... Apropos: je hebt een merkwaardige voorkeur voor gebochelden in je werk,' zei de speelman ironisch, 'de kleine Rudolf, de meester op je lagere school, en ik ook al. Maar goed, wij bultenaren worden doorgaans niet op onze werkelijke waarden geschat, maar houdt ze in de gaten!... Je weet wat ik toen heb gezegd: hem, die met het argeloos hart van een kind en de heilige boeken in zijn ransel op reis door het leven is, kan niets overkomen. Ik bracht je zover, dat je op je sterfbed kan verklaren dat je leven een wonder is geweest. Zeg mij, Aart van der Leeuw, maak de balans op, hoe was jouw reis? Kun jij iets anders verklaren?' 'Ik was de dwaas én Valentijn de speelman, ik wist het,' fluisterde de dichter.

 

Zijn lichaam was uitgestreden en zijn gelaatstrekken ontspanden zich in vrede. 'Het aardse leven is voorbij,' zei de speelman. Hij snoerde zijn gitaar vast en liep naar de deur. 'Kom, wij gaan,' gebood hij. De dichter stond moeiteloos op en volgde de kleine misvormde man. En daar gingen zij. Het was een wonderlijke mooie dag. De hemel was zacht blauw, zonder een wolkje en de zon was warm. Zij liepen langs de Vliet met de zon in de rug. De dichter voelde zich onwezenlijk als in een droom. Tere kleuren spreidden zich voor hen uit. De wei was zachtjes door de zon verlicht en de dorpen lagen als een lichtpaarse nevel aan de horizont. Het rood van de daken, de beuken van Vreugde en Rust langs het water, alle kleuren van ros en bruin. De ophaalbrug in de verte was door het licht getekend in helle gele lijnen. De schuiten die aan kwamen varen, waren zacht beschenen als open­gegane bloemen. De dichter en zijn speelman bleven staan en waren stil. 'Mijn vaders tuinen,' sprak de dichter ontroerd. Ik ken het, toch is het anders, als in een feest'... 'Laten wij verder gaan,' zei Valentijn. De dichter en zijn speelman liepen op de enige weg die voert naar de oneindigheid en het eeuwige...

 

Dinsdag, 21 april 1931, werd de dichter en mysticus Aart van der Leeuw teraardebesteld op het Voorburgse kerkhof aan de Parkweg. Slechts 54 jaar oud. De plechtigheid was sober en kort, geen bloemen, geen toespraken, het was zijn wens. Een handjevol mensen was aanwezig. Voor het zakken van de kist, las een familielid het korte gedicht 'Mijns Vaders Tuinen' van de overledene uit de bundel 'Herscheppingen'.

 


(overgenomen met toestemming van de auteur uit:
De heks van Vreugd en Rust en andere Voorburgse vertellingen,
Delft, 1994).